Overheid mag de verslagen rond de ramp met vlucht MH17 geheimhouden.

Het ministerie van Veiligheid en Justitie mag de verslagen van de vergaderingen die ministers hielden rond de ramp met vlucht MH17 geheimhouden. De Raad van State heeft dat bepaald in een zaak die was aangespannen door de NOS, RTL en de Volkskrant. Dit blijkt uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zoals gepubliceerd op nos.nl

De uitspraak bevat is grotendeels een weergave van de huidige juridische stand van zaken. Als zich een absolute weigeringsgrond voordoet (artikel 10 lid 1 WOB) dan kan openbaarmaking worden geweigerd, en bij een relatieve weigeringsgrond (artikel 10 lid 2 WOB) zal een belangenafweging moeten worden gemaakt tussen het uitgangspunt van openbaarmaking en de toepassing van een weigeringsgrond. Als sprake is van stukken opgesteld ten behoeve van intern beraad kan openbaarmaking eveneens geweigerd worden.

De uitspraak lijkt interessant in verband met de volgende overweging:

Artikel 10 van het EVRM vereist niet dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt en biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. De Afdeling stelt voorop dat er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Indien wordt aangenomen dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen en een weigering om inlichtingen te verstrekken niet op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden gerechtvaardigd, zal een weigering in strijd zijn met artikel 10 van het EVRM. In het geval een absolute weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, wordt dan de desbetreffende bepaling van de Wob ingevolge artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing gelaten. Indien een relatieve weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, zal het ontbreken van een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM in beginsel tot uitdrukking kunnen komen bij uitleg en toepassing van de bepalingen van de Wob waarin de relatieve weigeringsgrond is neergelegd.

Dit betekent naar mijn mening samengevat het volgende: Onder zeer bijzondere omstandigheden (daarop zal de verzoeker om informatie moeten wijzen) zou het zo kunnen zijn dat artikel 10 lid 1 WOB (absolute weigeringsgrond) in strijd zou kunnen zijn artikel 10 lid 1 EVRM zonder dat dit door artikel 10 lid 2 EVRM kan worden gerechtvaardigd. Als zich dat zou voordoen, dan moeten de bepalingen uit de WOB (artikel 10 lid 1) buiten toepassing blijven op basis van de Grondwet (artikel 94). Dit geldt niet voor artikel 10 lid 2 WOB, omdat bij een relatieve weigeringsgrond namelijk het ontbreken van een weigeringsgrond tot uitdrukking komt bij de uitleg en toepassing van juist dit artikel 10 lid 2 van de WOB. Volgt u het nog?

Dit alles klinkt niet alleen volstrekt logisch, maar ook volstrekt theoretisch. Het wettelijk kader is duidelijk. Als een wet in strijd is met een verdrag, blijft de wet buiten toepassing.

Artikel 94 uit de Grondwet luidt als volgt:

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Eigenlijk volgt uit deze uitspraak niets anders dan dat er zeer bijzondere omstandigheden kunnen zijn, (die zich hier niet voordoen) waaronder de WOB in strijd zou kunnen zijn met het EVRM. Maar dat gold al voor iedere wet. Of er ooit dergelijke bijzondere omstandigheden zullen zijn, waag ik ernstig te betwijfelen als al de ramp met MH17 een niet voldoende bijzondere omstandigheid oplevert wat dan wel? De tijd zal het leren.

WOB: Raad van Toezicht Orde van Advocaten hoeft notulen niet openbaar te maken.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de afdeling) heeft in een uitspraak van 2 september 2015 beslist dat de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (De Orde) geen notulen van vergaderingen hoeft openbaar te maken.

In de uitspraak (klik hier) kwam het volgende aan de orde. Op 11 april 2012 verzocht iemand aan De Orde om inzage in de  notulen van vergaderingen en besluiten van de Orde van Advocaten van 1997 tot 2007. Dit verzoek is bij besluit van 1 mei 2012 afgewezen, het verzoek is beschouwd als wob-verzoek. Aan die afwijzing is onder meer ten grondslag gelegd dat het verzoek niet ziet op een bestuurlijke aangelegenheid. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 3 januari 2014 is vervolgens op basis van  artikel 3 van de WOB de Raad verzocht om afschriften van de notulen van alle maandelijkse vergaderingen die in de jaren 1997 tot en met 2008 hebben plaatsgevonden, voor zover de inhoud van deze notulen aan verzoeker refereert. Bij besluit van 28 januari 2014 heeft de Raad dit verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen. Bij besluit van 25 juli 2014 heeft de Raad de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.

“Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.”

Omdat eerder een verzoek werd gedaan dat als wob-verzoek moet worden gekwalificeerd waartegen geen bezwaar is gemaakt, is een tweede wob-verzoek, tenzij sprake is van nieuw feiten of omstandigheden, niet (meer) mogelijk. Zie artikel 4:6 AWB.

Omdat in deze zaak geen nieuwe feiten of omstandigheden konden worden aangenomen, werd dus het verzoek afgewezen.

Hoe zou dit verlopen als een ander het verzoek alsnog indient? Of hoe zou het zijn afgelopen als tegen de eerste afwijzing wel bezwaar zou zijn ingesteld?  Zijn de notulen geen bestuurlijke aangelegenheid? Ik zou denken van wel. Uit de uitspraak van 30 juni 2004, van de afdeling volgt dat de Deken in ieder geval beschouwd moet worden als een bestuursorgaan. De afdeling overweegt namelijk:

2.5. De orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam is een orde van advocaten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Advocatenwet. Deze orde is, in navolging van hetgeen in het eerste lid van dit artikel ten aanzien van de Nederlandse orde van advocaten is gesteld, een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet. Voor de vraag of de deken van de orde van advocaten in het arrondissement kan worden beschouwd als een orgaan van die orde, is, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 maart 2003 in zaak no. 200105178/1 (AB 2003, 301), de aanwezigheid van een publiekrechtelijke grondslag bepalend. Nu de functie van deken van de orde van advocaten in het arrondissement haar grondslag vindt in artikel 22, eerste lid, van de Advocatenwet, is de deken een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.

Als de deken een bestuursorgaan is, dan zijn de notulen naar mijn mening opvraagbaar op basis van de WOB. Immers, onder bestuurlijke aangelegenheid moet worden verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op het beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering daarvan. Zie artikel 1 sub b van de WOB. Dit artikel dient niet beperkt te worden uitgelegd.

Theo Verhoeven

advocaat

WOB Misbruik. Stand van zaken.

WOB misbruik

Al enige jaren is misbruik van de Wet Openbaarheid van Bestuur voor vele overheden een probleem. Burgers dienen bij overheden veelvuldig grote aantallen Wob-verzoeken in, soms in de hoop, dat door het bestuursorgaan niet tijdig wordt beslist, zodat zij aanspraak kunnen maken op het verbeuren van dwangsommen. Ingevolge de Wet Dwangsom, zijn overheden immers verplicht, wanneer zij niet tijdig beslissen, aan de burger een dwangsom te betalen.

Sinds de invoering van de Wet Dwangsom is er op grote schaal misbruik gemaakt, door het indienen van grote aantallen Wob-verzoeken, met het doel om de dwangsom te incasseren.

In november 2014, is in hoogste instantie door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist wanneer er sprake is van misbruik van recht zodat geen dwangsommen verschuldigd zijn. Zie hierna, waarin de afdeling deze beslissing nog eens heeft bevestigd.

Eerder al, had de Rechtbank Rotterdam op 21 maart 2013, (ECLI:NL:RBROT:2013:BZ4905) geoordeeld, dat het indienen van een groot aantal Wob-verzoeken onrechtmatig is. In dat geval had een burger bij de gemeente Dordrecht, met wie hij in onmin leefde, enkele honderden Wob-verzoeken ingediend en de Rechtbank Rotterdam oordeelde dat dat onrechtmatig was, en heeft hem vervolgens civielrechtelijk verboden om nog meer Wob-verzoeken in te dienen op straffe van een dwangsom.

Uiteindelijk heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 een drietal uitspraken gedaan, die samenhang vertonen.

Iemand had, vertegenwoordigd door een juridisch gemachtigde, bij de Officier van Justitie tegen een aantal verkeersboetes beroep ingesteld. De gemachtigde van deze persoon heeft vervolgens een heel aantal Wob-verzoeken ingediend bij Dienst Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), dat deel uitmaakt van het Openbaar Ministerie, en dus van het Ministerie van de minister van Veiligheid en Justitie, deze Wob-verzoeken worden “verstopt” in het beroepschrift.

De minister heeft vervolgens geweigerd om het Wob-verzoek in behandeling te nemen, en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat hij vond dat het indienen van een groot aantal Wob-verzoeken misbruik van recht opleverde. Hiervan is toen appel ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam. De Rechtbank Rotterdam heeft het beroep niet ontvankelijk verklaard. De Raad van State heeft de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam in stand gelaten. De Raad van State had vastgesteld, dat bijvoorbeeld ten aanzien van één en dezelfde verkeersboete, zes Wob-verzoeken waren ingediend, in plaats van alle verzoeken in één keer. Daarmee werd de behandeling van het verzoek om informatie onnodig ingewikkeld en verwarrend, wat de kans op fouten verhoogde. De Wet Administratief Rechterlijke Handhaving Verkeersvoorschriften (Wahv) heeft bovendien een regeling voor het opvragen van documentatie met betrekking tot verkeersboetes. Logisch was dan ook geweest, dat de aanvraagster die mogelijkheid zou benutten volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De persoon had echter een Wob-verzoek ingediend, dat de mogelijkheid bood om een dwangsom of een proceskostenveroordeling te vragen, de dragende overweging luidt als volgt. In de eerste plaats verwijst de Raad van State naar het bepaalde artikel 3:15 BW, waarin staat dat artikel 3:13 BW ook van toepassing is buiten het (civielrechtelijk) vermogensrecht, tenzij de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet.

Artikel 3:13 BW luidt als volgt.

1.Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

2.Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

3.Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.

De Raad van State overwoog vervolgens dat de bestuursrechtelijke aard van de rechtsbetrekking zich er niet tegen verzet dat dit artikel wordt toegepast zoals volgt uit art. 3:3 en art. 3:4, tweede lid van de AWB. In die artikelen zijn voor bestuursorganen soortgelijke normen neergelegd. Bovendien liggen soortgelijke normen ook voor particulieren besloten in art. 6:15, derde lid AWB en art. 8:18, vierde lid art. 8:75, eerste lid AWB. Deze bepalingen voorzien in sancties in geval van misbruik van bestuursprocesrechtelijke bevoegdheden. De afdeling overwoog dan ook, dat die bepalingen bevestigen dat tevens de processuele bevoegdheden vatbaar zijn voor misbruik, zodat het derde lid van art. 3:13 BW niet van toepassing is. De afdeling komt dan tot de conclusie, dat in gevolg art. 3:13 BW in verband met art. 3:15 BW de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen, voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en biedt dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep.

Wanneer is er dan sprake van misbruik van recht?

De afdeling schrijft dat ook met zoveel woorden. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij de rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd.[1] Of sprake is van misbuik van recht zal dus afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan een rol spelen bijvoorbeeld:

  1. Dat verzoeken al dan niet bewust op een zodanige manier worden ingediend dat die verstopt worden, in kleine lettertjes opgenomen, worden herhaald, of worden toegezonden aan een onjuist bestuursorgaan of aan een verkeerd adres waardoor een vlotte afhandeling wordt gefrustreerd waardoor de kans op fouten toeneemt;
  2. Dat de betreffende persoon of juridisch gemachtigde zeer veel andere soortgelijke verzoeken heeft ingediend;
  3. Dat tussen de aanvrager en die gemachtigde de afspraak is gemaakt dat er alleen een salaris hoeft te worden betaald als er een proceskostenvergoeding of dwangsom wordt geïncasseerd;
  4. Dat de aanvrager geen enkel redelijk belang kan vermelden bij het doen van zijn verzoek. (Hoewel de WOB dat niet eist)

 

Op 5 augustus 2015 heeft de afdeling deze visie nog eens bevestigd. In de uitspraken ECLI:NL:RVS:2015:2447, en ECLI:NL:RVS:2015:2489 heeft de afdeling onder verwijzing naar de eerde genoemde zaken van 19 november 2014 overwogen:

Op grond van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat [appellante] de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren en zij die bevoegdheid derhalve heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Derhalve heeft [appellante] misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep en hoger beroep in te stellen, nu dit beroep en hoger beroep niet los kunnen worden gezien van het doel waarmee [appellante] de WOB heeft gebruikt en derhalve eveneens gericht zijn op het incasseren van geldsommen ten laste van de overheid. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen houdt het hoger beroep misbruik van recht in en is het daarom niet-ontvankelijk.

Toekomstig recht?

In het nieuwe wetsvoorstel, dat de opvolger moet worden van de WOB, de Wet Open Overheid (Tweede Kamer nummer 33228) is een bepaling opgenomen over de beperking van het misbruik van recht. In art. 4:6 antimisbruikbepaling is het volgende opgenomen:

Indien het bestuursorgaan aannemelijk maakt dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuursrechtelijke aangelegenheid betreft, kan het binnen twee weken nadat het bestuursorgaan daarvan is gebleken, besluiten het verzoek niet te behandelen.

De gedachte achter het artikel is kennelijk, om te voorkomen, dat het bestuursorgaan vele (vaak zinloze) WOB-verzoeken zou moeten behandelen.

De redactie van dit wetsartikel is om verschillende redenen ongelukkig te noemen. De huidige WOB voorziet in een beslistermijn van vier weken, waarbinnen het bestuursorgaan een beslissing moet nemen.

De antimisbruikbepaling in het wetsontwerp is op dit moment zodanig geredigeerd, dat het bestuursorgaan binnen twee weken kan besluiten het verzoek niet te behandelen. Op basis van het wetsvoorstel beloopt de termijn waarbinnen op een wob-verzoek beslist moet worden twee weken, eenmaal te verlengen met twee weken indien de omvang of de gecompliceerdheid de informatie verlenging rechtvaardigt (wie toets dit?), zodat het overheidsorgaan na vier weken alsnog zou kunnen besluiten het verzoek niet in behandeling te nemen. Daar staat dan bezwaar tegen open, waarop vervolgens beroep kan worden ingesteld. Indien de rechter vervolgens tot het oordeel komt, dat het verzoek ten onrechte niet is behandeld, zal alsnog een beslissing genomen moeten worden. Daar heeft het bestuursorgaan dan weer vier weken de tijd voor, nadat overigens de gerechtelijke procedure is gevolgd. Nu kan het zomaar zijn, dat na een half jaar/driekwart jaar pas een beslissing wordt genomen, waartegen weer opnieuw beroep openstaat, met als gevolg dat het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft, om nodeloos lang de zaak te rekken. Is het niet veel verstandiger om het aantal wob-verzoeken dat iemand mag indienen te maximeren? Natuurlijk zijn er beroepsbeoefenaars dat vaker een wob-verzoek moeten kunnen indien, denk aan journalisten, maar de doorsnee burger zou aan -bijvoorbeeld- één keer per maand toch echt genoeg moeten hebben. Wanneer op deze wijze het aantal wob-verzoeken wordt gemaximeerd, ligt uiteindelijk de bevoegdheid om te oordelen of een wob-verzoek ontvankelijk is, bij de rechter en niet -althans in eerste instantie- bij het betreffende bestuursorgaan. Dat is wel zo zuiver.

Het valt niet te verwachten dat het wetsontwerp op heel korte termijn in werking zal treden.

Theo Verhoeven

[1] In gelijke zin had de Rechtbank Gelderland geoordeeld op 18 december 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:7847).

Forse kritiek op verslechtering WOB

Journalistieke organisaties zien niets in de plannen van minister Plasterk voor de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), zie NOS.

Het voortel van de Minister komt er op neer dat hij voornemens is om de dwangsom bij Wobverzoeken te schrappen. Het valt te begrijpen dat de minister misbruik wil tegengaan. Het indienen van verkapte en veelvuldige Wobverzoeken dient niet beloond te worden met het ontvangen van een dwangsom. Anderzijds dient die dwangsom als prikkel voor de overheid om tijdig te beslissen. De kennelijke opvatting van de Minister dat overheden toch wel snel zullen blijven beslissen en dat men anders naar de rechter kan, ziet er aan voorbij dat dit dus betekent, dat straffeloos te laat beslist zou kunnen worden, met als gevolg een groter beroep op de rechterlijke macht.

Met betrekkelijk eenvoudige ingrepen, is misbruik ook tegen te gaan. Denk aan het beperken van het aantal Wobverzoeken dat iemand mag doen en het stellen van eisen aan de herkenbaarheid van een Wobverzoek. Wordt niet duidelijk gemaakt dat het om een wobverzoek gaat, dan raakt geen dwangsom verbeurd, bijvoorbeeld. Een andere optie zou kunnen zijn, om de rechter de vrijheid te geven om de dwangsom bij Wob-verzoeken te matigen tot nihil als sprake is van misbruik.

Advies advocaat aan bestuursorgaan niet openbaar

Een advies van een advocaat aan een bestuursorgaan hoeft niet openbaar in de zin van de Wob te worden gemaakt. Dit volgt uit de uitspraak van 14 mei 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). In de voorliggende zaak betrof het een advies van een advocaat aan de gemeente Groningen over de beëindiging van raamprostitutie in het A-kwartier. De gemeente had advies gevraagd over het juridische risico dat het college van burgemeester en wethouders liep om gehouden te zijn tot vergoeding van mogelijke schade aan eigenaren en exploitanten van panden bestemd voor raamprostitutie.

Voor de lezer die minder in de Wob-materie zit even wat achtergrondinformatie. Het uitgangspunt van de Wob is dat de informatie over bestuurlijke aangelegenheden openbaar is. Uit eigen beweging hoort de overheid dan ook informatie over het beleid te verschaffen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering. Als dat niet is gebeurd, wordt deze informatie op verzoek openbaar gemaakt. Behalve als, en voor zover, zich een uitzonderingsgrond voordoet. In het geval van een verzoek om informatie uit documenten – opgesteld ten behoeve van intern beraad – wordt er bijvoorbeeld geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen (artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob).

De Afdeling overweegt in deze zaak dat een advies van een advocaat over mogelijke procedures en de daarin in te nemen standpunten en te volgen tactieken naar zijn aard bestemd is voor intern beraad. Het advies moet in dit geval in zijn geheel worden aangemerkt als een uitwisseling van informatie tussen een advocaat en een bestuursorgaan om dat bestuursorgaan in staat te stellen een standpunt in te nemen betreffende een bestuurlijke aangelegenheid. Het advies bevat namelijk opvattingen, voorstellen, aanbevelingen en conclusies over het juridische risico van het college. Voor zover in het advies objectieve gegevens zijn opgenomen, is de Afdeling van oordeel dat deze dermate nauw met de persoonlijke beleidsopvattingen zijn verweven dat het niet mogelijk is deze van elkaar te scheiden. Daarmee valt het dus volgens de Afdeling onder het bereik van artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob (de Afdeling haalt deze bepaling overigens abusievelijk aan als artikel 1, eerste lid, van de Wob in het wettelijk kader). Dit betekent dat het advies niet openbaar hoeft te worden gemaakt en dat het college dit daarom terecht heeft geweigerd.

Hiermee wordt het bereik van de genoemde bepaling in feite opgeschaald. Immers, informatie ten behoeve van intern beraad moet in principe openbaar worden gemaakt voor zover dit geen persoonlijke beleidsopvattingen betreft. Bij nauwe verwevenheid met persoonlijke beleidsopvattingen vallen de “objectieve gegevens” dus blijkbaar óók onder de uitzonderingsgrond en blijven deze voor de burger daardoor geheim.

 

W.A.

Gepubliceerd op 27 juni 2014.

Dwangsom voor het niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek wordt geschrapt

Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken heeft bekend gemaakt dat de dwangsom voor het niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek wordt geschrapt. Om misbruik van die regeling tegen te gaan, hoeven bestuursorganen die te laat beslissen op dit soort verzoeken dan geen dwangsom meer te betalen.  Dit najaar stuurt de minister een voorstel tot wetswijziging naar de Tweede Kamer hierover.

Voor de Wob geldt een beslistermijn van vier weken. Deze kan door het bestuursorgaan worden verlengd met nogmaals vier weken. Indien het bestuursorgaan niet binnen die termijn beslist, staat nog wel beroep bij de rechtbank open.  Er blijft dus bij het schrappen van de dwangsomregeling een zekere prikkel aanwezig voor het bestuursorgaan om (tijdig) te beslissen.

Gepubliceerd op 26 juni 2014. De eerste alinea is gebaseerd op dit artikel van de NRC.

Verzoek om informatie in het kader van de procedure ter verkrijging van een machtiging tot voorlopig verblijf is geen Wob-verzoek

Op 9 april 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS: één van de hoogste rechters in het bestuursrecht) een uitspraak gedaan over de toezending van een kopie van een dossier over een machtiging tot voorlopig verblijf.

De twee rechtzoekenden uit Den Haag hadden de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om toezending van een kopie van hun dossier dat was aangemaakt voor hun aanvraag om  een machtiging tot voorlopig verblijf. Dit betrof met name het aanvraagformulier. Bij dit verzoek deden de twee “zo nodig” een beroep op de Wob.

Volgens de ABRvS wilden de rechtzoekenden vaststellen welke naam als referent op het aanvraagformulier stond vermeld. De verzoeken moeten daarom worden geacht te zijn gedaan in het kader van de procedure ter verkrijging van een machtiging tot voorlopig verblijf. Verder bestaan geen aanknopingspunten om deze verzoeken aan te merken als gedaan op grond van de Wob, omdat de verzoeken niet de strekking hebben om de documenten voor een ieder openbaar te maken. Bovendien is slechts “zo nodig” een beroep op de Wob gedaan.

De conclusie is dus dat deze verzoeken niet vallen onder het bereik van de Wob. 

Gepubliceerd op 20 juni 2014.

Ten onrechte leges geheven voor Wob-verzoek

Bij een Wob-verzoek om informatie openbaar te maken en deze vervolgens kosteloos te verstrekken mag het bestuursorgaan geen kosten in rekening brengen. Dit heeft de rechtbank Gelderland beslist in haar uitspraak van 29 april 2014.

De heffingsambtenaar van de gemeente Zevenaar had aan betrokkene € 55,60 aan leges in rekening gebracht voor het verstrekken van kopieën. Ten onrechte naar het oordeel van de bestuursrechter. Omdat betrokkene uitdrukkelijk heeft verzocht om kosteloze toezending, was het bestuursorgaan niet bevoegd de leges aan hem in rekening te brengen. De aanvraag van betrokkene zag immers op het ontvangen van documenten voor zover daaraan geen kosten waren verbonden. Het stond het bestuursorgaan dan ook niet vrij om die aanvraag op te vatten als een aanvraag waarvoor wel kosten in rekening kunnen worden gebracht.

Weliswaar heeft het bestuursorgaan betrokkene erop gewezen dat niet alle gevraagde informatie digitaal beschikbaar was, maar het heeft zich niet van de positieve instemming van betrokkene verzekerd dat hij zijn verzoek om informatie zou handhaven indien daarvoor kosten in rekening zouden worden gebracht. Klaarblijkelijk moet dat dus voor rekening en risico voor het bestuursorgaan komen.

Gepubliceerd op 20 mei 2014.

WA

Liesveld advocaten lanceert Wob-helpdesk

Wob-helpdesk

Liesveld Advocaten is gestart met een gratis Wob-helpdesk. De Wob (Wet openbaarheid van bestuur) regelt wanneer de overheid gegevens openbaar moet maken en wanneer niet. In de praktijk leidt deze wet tot veel discussies en procedures. Daarom heeft Liesveld Advocaten deze helpdesk opgericht. Ambtenaren en journalisten kunnen hier kosteloos vragen stellen aan de gespecialiseerde Wob-advocaten mr. Werner Altenaar en mr. Theo Verhoeven.

Voor meer diepgang bieden de specialisten bij Liesveld Advocaten cursussen aan over de Wob. Hierin wordt ook een korte inleiding over het bestuursrecht gegeven. Er is een cursusaanbod voor journalisten, (rijks- en gemeente)ambtenaren, en politiediensten en veiligheidsregio’s.

Verder kunnen alle geïnteresseerden terecht op deze site. Hier kan men “Alles over de Wob” vinden in begrijpelijke taal. Dit omdat Liesveld Advocaten het belangrijk vindt, dat er voor iedere professionele partij gratis begrijpelijke informatie over de Wob  te krijgen is.

Bent u benieuwd naar dit initiatief: bel met Liesveld Advocaten op het nummer 055 – 522 22 62

Het tegengaan van misbruik van Wob-verzoeken, stand van zaken

De laatste tijd is misbruik van WOB-verzoeken, in relatie tot de misbruik van de zogenaamde dwangsomregeling regelmatig in het nieuws. Partijen
Lees bericht

DNB hoeft niet open te zijn over redding ABN AMRO

De zaak was aangespannen door de Volkskrant, die meende de rapporten te kunnen inzien op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).  Lees bericht en de uitspraak.

Zouden de rapporten niet ook bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie of het Ministerie van Financiën aanwezig zijn? En zou dan weigering tot openbaarmaking stand houden?

B&W van Haarlem moet facturen advocaat openbaar maken

Wob-verzoek met betrekking tot facturen van advocaat inzake ambtenaarrechtelijke procedures waarin eiseres het aan haar verleende ontslag aanvecht. Uitspraak hier.

Wob-besluit op verzoek TenneT TSO B.V. | ACM.nl - Autoriteit Consument & Markt

Wob-besluit op verzoek TenneT TSO B.V.. 11-03-2014. TenneT TSO B.V. heeft bij ACM een verzoek ingediend om documentatie openbaar te maken
Lees bericht